Al tijden zit ik te broeden op een stukje over marktwerking in het openbaar vervoer. Ik zou willen laten zien hoe je de voordelen van een markteconomie, die in andere sectoren zo goed functioneert, naar het openbaar vervoer kunt vertalen. Ik zou willen laten zien hoe dat in de luchtvaart functioneert. Ik zou willen laten zien hoe je, door kaartverkoop en reisinformatie te koppelen, een goede interactie tussen reiziger en vervoerbedrijf kunt krijgen. Maar ik mis een aangrijpingspunt om het aan op te hangen.
Naarmate ik er langer over nadenk ontdek ik dat die vrije markt zelf problematisch is. Dertig jaar geleden, tijdens de koude oorlog, hoorde Nederland bij het kapitalistische blok. Wij waren van de vrije markt, zij waren van de planeconomie. Zij hadden een communistische ideologie, wij dachten dat we een kapitalistische ideologie hadden. Wij waren tegen de Russen dus moesten we wel voor de vrijhandel zijn.
De keuze voor de vrije markt die ooit zo vanzelfsprekend leek, blijkt dat helemaal niet te zijn. Als ik om me heen kijk dan zie ik dat veel Nederlanders, West-Europeanen, ja zelfs Amerikanen, de vrije markt niet begrijpen, diep wantrouwen, wellicht tolereren maar zeker niet omarmen.
Vraag en aanbod
Het lijkt zo eenvoudig: de wet van vraag en aanbod. Als de vraag groter is dan het aanbod dan stijgt de prijs. Als het aanbod groter is dan de vraag dan daalt de prijs. Als de prijs naar beneden gaat wordt de vraag groter. Als de prijs omhoog gaat wordt het aanbod groter. Zo komen vraag en aanbod met elkaar in evenwicht.
Maar vraag en aanbod nemen iets heel wezenlijks van ons af: waarheid.
We willen weten wat ‘de’ prijs is van een kilo appels. We willen dat die appel, als we honger hebben, voor ons klaar ligt. We zijn verontwaardigd als de marktkoopman zijn producten niet meer op voorraad heeft, we zijn net zo verontwaardigd als we horen dat hij aan het einde van de dag zijn niet verkochte voorraad moet weggooien.
Als er tekorten of overschotten zijn dan is op de een of andere manier de waarheid geschonden. Daar hadden ‘ze’ beter over na moeten denken. ‘Ze’ is altijd iemand anders, dat zijn wij nooit zelf. Wij verwachten dat er voor ons gedacht wordt, dat dat denken gratis is en dat het er vanzelfsprekend is.
Als een markt in evenwicht is dan is de illusie van waarheid redelijk in stand te houden. De prijs is dan ’stabiel’, iets kost morgen ongeveer even veel als gisteren en we denken dat dat ‘de’ prijs is. De omvang van overschotten en tekorten is beperkt en onze verontwaardiging daar over eveneens.
Glibberig
Als dat evenwicht ontbreekt dan wordt het glibberig. Dan blijkt ineens dat de wet van vraag en aanbod naar onszelf terug verwijst. Het abstracte begrip ‘prijs’ blijkt ineens op een akelig concrete manier op ons eigen gedrag terug te slaan.
Als de prijs van appels daalt moeten we misschien onze appelboomgaard door een perenboomgaard vervangen. Dat duurt even voor de peren rijp zijn, tot die tijd zal de appelenprijs alleen maar verder dalen. Tegen de tijd dat we peren op de markt kunnen brengen zal daar misschien een overschot aan zijn.
Als de prijs van appels daalt moeten we misschien appeltaart bakken in plaats van kersenvlaai. Weinig kans dat we daarmee indruk op de buren maken: die waren ook al appeltaart aan het bakken.
Als de prijzen veranderen moeten wij ons aan de wereld aanpassen in plaats van dat de wereld zich aan ons aanpast. Dat kan toch nooit de bedoeling zijn?
Volmaakte wereld
Nu zou misschien het moment zijn om te roepen dat een dergelijke volmaakte wereld niet bestaat. Het punt is, die volmaakte wereld bestaat wel, sterker nog, wij hebben hem allemaal meegemaakt en we hebben er intense herinneringen aan.
Als wij als babytje op de wereld komen hebben we een moeder die voor ons zorgt. Als we honger hebben geeft ze ons de borst, als we slaap hebben legt ze ons in bed, als we gepoept hebben verschoont ze onze luiers. Alles wat we nodig hebben is er, op het juiste moment, in de juiste hoeveelheid. Alles in de wereld draait om ons, het enige dat we hoeven te doen is onze behoeften aangeven om ze in vervulling te laten gaan. Het kan niet anders, we hebben nog niet de mogelijkheid om voor onszelf te zorgen. En we verkeren in zalige onwetendheid over de strijd die onze moeder moet voeren om haar hoofd boven water te houden en ons deze omgeving aan te kunnen bieden.
Als we ouder worden leren we langzaam op eigen benen staan, leren we voor onszelf zorgen, leren we dat onze omgeving minder veilig en voorspelbaar is dan we ooit gedacht hadden en dat onze ouders minder machtig zijn dan we ons hadden ingebeeld. Dit is van twee kanten een ambivalent proces. Voor kinderen doet het uiteraard pijn die veiligheid kwijt te raken maar ik ben er van overtuigd dat kinderen ook een intens verlangen hebben om op eigen benen te staan en zelf verantwoordelijkheid te nemen. Voor de ouders betekent het niet meer hoeven dragen van de zorg uiteraard een verlichting maar het is ook moeilijk de kinderen los te laten.
Van de wieg tot het graf
De situatie waar wij, in de Westerse wereld, in terecht gekomen zijn, is dat wij een overheid hebben die net zo goed voor ons als burgers zorgt als dat ouders voor hun kleine babytje doen. De overheid begeleidt ons, vertelt ons wat we moeten doen, neemt risico’s van ons over. De overheid zorgt dat onze basisbehoeften vervuld worden, dat we inkomen hebben, huisvesting, gezondheidszorg, dat we in een omgeving kunnen leven waar gevaar in grote mate is uitgebannen.
Zoals een kind afhankelijk is van haar ouders, zo is de burger afhankelijk van de overheid. Zoals het voor een kind moeilijk is te zien dat haar ouders ook beperkingen hebben en ook moeten knokken voor hun bestaan, zo is het voor de burger moeilijk de beperkingen van de overheid te zien.
Net als de relatie tussen ouder en kind is de relatie tussen overheid en burger ambivalent. Het is een last voor de overheid om voor haar burgers te zorgen maar de overheid wil de burgers ook graag aan zich binden. Als burgers meer verantwoordelijkheid krijgen neemt het belang van de staat af, de organisatie van de samenleving zou er heel anders uit kunnen gaan zien, daar zitten risico’s aan.
Marktordening
Als je het echt hebt over marktordening, dan praat je over grote vraagstukken, of je nou praat over organisatie van het openbaar vervoer of regulering van het bankwezen. Bestaande markten die in evenwicht zijn, dat is een koud kunstje. Maar sectoren die dat evenwicht niet hebben, daar kunnen (zullen!) grote verschuivingen optreden. Verschuivingen die met zich mee zullen brengen dat mensen hun gedrag zullen moeten aanpassen. Verschuivingen die de machtsverhoudingen ingrijpend kunnen beïnvloeden. Verschuivingen waarvan we niet weten waar ze ons naar toe brengen.
Als je er over nadenkt dan is de vrije markt een glibberig fenomeen en dan is het niet zo gek dat mensen er een afkeer van hebben.
Vraag
